Waarom laat de wind een vlieger omhooggaan?
Heb jij weleens een vlieger vastgehouden op een winderige dag? Denk aan de koele wind op je wangen. Denk aan het touw dat aan je hand trekt, terwijl de vlieger hoog boven je zweeft.
Waarom laat de wind een vlieger omhooggaan, de lucht in? Een vlieger heeft geen vleugels om mee te klapperen. Laten we samen ontdekken wat hem optilt.
Wind is lucht die beweegt. Je kunt hem niet zien, maar hij duwt wel tegen dingen. Wind rolt blaadjes over het gras en laat je jas wapperen.
Een vlieger is dun doek of papier op een paar lichte stokjes. Omdat een vlieger zo licht is, kan de wind hem makkelijk heen en weer duwen.
Een vlieger die vliegt, hangt niet plat tegen de wind. Hij leunt naar achteren, met zijn neus omhoog, net als een glijbaan. Dat noemen we de schuine stand, en dat betekent dat hij een beetje schuin hangt.
Nu blaast de wind recht tegen de vlieger aan, die in zijn schuine stand hangt. De lucht duwt tegen de onderkant en glijdt er dan langs weg. Die duw tilt de vlieger op en duwt hem naar achteren. Wat houdt de vlieger dan tegen, zodat hij niet ver wegwaait?
Het touw in jouw hand! Jij houdt het touw vast, dus de vlieger kan niet naar achteren wegvliegen. Omdat jij hem vasthoudt, blijft de vlieger in zijn schuine stand. Zo blijft de wind hem omhoogduwen.
De aarde trekt de vlieger naar beneden, net als een bal die je laat vallen. Maar de duw van de wind tegen de lichte vlieger is sterker dan die trek. Dus klimt de vlieger omhoog, hoger en hoger de lucht in.
De wind duwt van onderen tegen de vlieger in zijn schuine stand, en jouw touw houdt hem daar. Zo klimt de lichte vlieger hoog de lucht in.
Hoog boven het gras rust de vlieger op de wind. Hij blijft rustig in zijn schuine stand en trekt zachtjes aan het touw in jouw hand.









