Waarom ligt een dal zo laag tussen de heuvels?
Heb jij ooit op een heuvel gestaan en naar beneden gekeken? Voel de wind maar op je wangen. Ver beneden ligt de grond laag, net als de binnenkant van een grote kom. Onder in veel dalen glinstert een riviertje in de zon.
Rondom het dal staan de heuvels hoog. Waarom ligt het dal dan zo laag? Laten we het samen ontdekken.
Het begint allemaal met regen. Als het regent op de heuvels, blijft het water niet bovenop liggen. De aarde trekt het naar beneden, dus het stroomt de heuvel af.
Van elke helling lopen kleine straaltjes water omlaag. Ze komen samen in een kuiltje tussen de heuvels. Daar vormen ze samen een rivier, en die stroomt er dag en nacht.
De rivier stroomt over de rivierbedding, dat is de grond vlak onder het water. Snel en sterk raast het water over de rivierbedding.
Het snelle water duwt zand en steentjes mee. Die botsen en schuren steeds weer over de rivierbedding. Beetje bij beetje slijten ze de rivierbedding weg, dat wil zeggen dat ze er piepkleine stukjes afschuren. Waar denk jij dat al die stukjes naartoe gaan?
De rivier neemt ze mee! Hij voert de piepkleine stukjes met zich mee, ver weg van de heuvels. Zo wordt de rivierbedding elke dag een klein beetje lager.
Dit duurt heel, heel lang, veel langer dan iemand zich kan herinneren. Stukje voor stukje snijdt de rivier steeds dieper in de grond.
De heuvels aan beide kanten blijven hoog, want de rivier stroomt niet over hun toppen. Alleen het lage midden slijt steeds verder weg. Zo wordt het pad van de rivier een diep, laag dal tussen de heuvels.
Regen maakt een rivier, en de rivier slijt zijn rivierbedding beetje bij beetje weg. Zo wordt de grond tussen de heuvels steeds lager, terwijl de heuvels hoog blijven.
Onder in het dal glinstert het riviertje nog steeds in de zon. Het water stroomt verder en neemt zand en steentjes mee, de hele dag en de hele nacht.









