Hoe kan een spiegel je helpen om achter je te kijken?
Stel je voor: je zit achterin de auto. De grote mens die rijdt, zit voorin en kijkt naar de weg. Bovenaan bij de voorruit hangt een klein spiegeltje.
De bestuurder kijkt even omhoog naar dat spiegeltje, en daar ben jij, aan het zwaaien! Voel thuis maar eens aan een spiegel, en merk hoe koel en glad het glas is. Maar hoe kan een spiegel je helpen om achter je te kijken?
Het begint allemaal met licht. Licht van de zon schijnt de auto in en valt op jou. Daarna kaatst het terug van je gezicht en je zwaaiende hand.
Een deel van dat terugkaatsende licht vliegt naar het kleine spiegeltje. Licht schiet altijd in een rechte lijn. Zo komt het van jou bij het glas.
Een spiegel is glas met aan de achterkant een dun, glimmend laagje metaal. Het glas en dat laagje zijn allebei heel erg glad. Waar denk jij dat het licht heen gaat als het de spiegel raakt?
Het licht kaatst terug van de spiegel, zoals een bal terugkaatst van een muur. Omdat de spiegel zo glad is, blijft het licht netjes op een rij en blijft jouw vorm bewaard. Nu vliegt het naar de ogen van de bestuurder.
Het licht komt in de ogen van de bestuurder. Die ziet een plaatje van jou in de spiegel. Dat plaatje heet een spiegelbeeld, en dat is het plaatje dat een spiegel naar je terugkaatst.
De bestuurder hoeft zich nooit om te draaien. Het licht van de achterbank ging bij de spiegel de hoek om. Zo laat het spiegelbeeld de bestuurder zien wat er achter is.
Met een handspiegel werkt het precies zo voor jou. Als je hem vlak bij je gezicht houdt en een beetje kantelt, kaatst licht van achter je via de spiegel in je ogen. Dan laat de spiegel je de kamer achter je zien.
Licht van achter je kaatst via de spiegel terug in je ogen. Dat spiegelbeeld laat je zien wat er achter je is.
Terug in de auto kijkt de bestuurder nog รฉรฉn keer omhoog naar het kleine spiegeltje. Daar ben jij weer, nog steeds zwaaiend vanaf de achterbank.









