Wat zou ik vinden als ik onder de aarde graaf?
Weet je nog hoe je een keer een schep in de tuin duwde? De aarde voelde koel en kruimelig, en ze rook vochtig, net als de grond na een regenbui.
Stel je nu voor dat je verder en verder graaft, veel dieper dan dat eerste kuiltje. Wat zou je vinden als je onder de aarde graaft? Laten we samen naar beneden graven, één laag tegelijk.
De donkere aarde die je eerst opschepte, heet bovengrond: dat is de zachte bovenste laag van de grond. Ze is zo donker omdat ze vol zit met piepkleine stukjes oude bladeren en planten die langzaam vergaan. Die stukjes zijn voedsel voor de planten die daar groeien.
Graaf je dieper, onder de bovengrond, dan verandert de aarde. Ze ziet er lichter uit, bruin of geel of roodachtig, omdat er bijna geen oude bladeren zo diep komen.
Nog verder in die lichte aarde stoot je schep op stenen. Hoger in de grond breken regen en wortels stenen in kleine stukjes, maar hier beneden zorgt bijna niets ervoor dat ze breken, dus blijven ze groot en scherp. Wat denk jij dat er onder al die stenen ligt?
Eindelijk tikt je schep tegen harde rots die zich naar alle kanten uitstrekt. Dit is het moedergesteente, de harde rots waar alle grond op rust.
Het moedergesteente is veel te hard om met een schep in te graven. Net als een vloer onder een vloerkleed draagt het de lichte aarde en de bovengrond erboven.
Bovengrond, moedergesteente. Onder de donkere bovengrond vind je lichtere aarde vol stenen, en daaronder het harde moedergesteente dat alle aarde draagt.
Als je straks weer in de tuin graaft, kun je je al die stille lagen onder je voorstellen, netjes op elkaar.









