Waar verdwijnt een plas naartoe?
Na de regen ligt er een plas op het pad buiten. Jij springt erin met je laarzen. Plons, spetter! Weet je nog hoe koud en nat het water tegen je benen voelt?
Later kom je terug om weer te springen. Maar de plas is weg, en het pad is droog. Waar verdwijnt een plas toch naartoe?
Een plas is gemaakt van water. En water bestaat uit piepkleine stukjes. Die zijn veel te klein om één voor één te zien. Heel veel stukjes samen maken de hele plas.
Als het stopt met regenen, komt de zon tevoorschijn en schijnt op de plas. Het warme licht maakt het water warm. Net zoals je hand warm wordt bij een raam vol zon.
Warme stukjes water wiebelen en schudden steeds sneller. Sommige stukjes bovenin wiebelen zo hard dat ze uit de plas springen. Waar denk jij dat ze dan naartoe gaan?
Ze zweven omhoog, de lucht in! Elk stukje zweeft in zijn eentje weg, dus het is onzichtbaar. Dat betekent dat het te klein is om met je ogen te zien. Daarom zie je het water nooit weggaan.
De zon blijft schijnen, en er springen steeds meer stukjes uit, het ene na het andere. Beetje bij beetje wordt de plas kleiner. De natte randjes kruipen naar het midden toe.
Eindelijk zweven ook de laatste stukjes weg. Nu zit al het water van de plas in de lucht, onzichtbaar, overal om je heen. Het pad is droog, en je kunt er weer lopen.
Laten we één woord onthouden: onzichtbaar. De zon maakt de plas warm, en het water zweeft in onzichtbare stukjes de lucht in.
Zie je straks een plas kleiner worden in de zon, dan weet jij precies waar het water naartoe gaat.









