Wat verandert er als je boetseerklei platdrukt?
Er ligt een zacht bolletje boetseerklei op tafel. Met je hand kun je er een plat koekje van maken. Wat verandert er als je boetseerklei platdrukt?
De vorm is hoe de buitenkant eruitziet. Nu is de vorm rond en steekt het bolletje omhoog. Boetseerklei is zacht, dus je kunt de vorm veranderen.
Je legt je hand op het bolletje en duwt zachtjes. Je hand duwt de bovenkant naar de tafel toe. De tafel houdt de onderkant tegen, zodat de klei ertussen platter wordt.
De bovenkant komt steeds dichter bij de onderkant. Daardoor wordt de klei dunner. Het hoge, ronde bolletje wordt laag en plat.
Maar waar blijft de klei als je duwt? Denk je dat ze opzij schuift, of verdwijnt? Alle klei is er nog.
Je hand duwt de klei tegen de tafel. Daardoor schuift de klei opzij en neemt ze meer plek in op tafel. Ze wordt breder terwijl ze dunner wordt.
Die brede vorm lijkt misschien meer klei, maar je hebt er niets bij gedaan. Als je alle klei bij elkaar houdt, heb je nog evenveel als eerst. Alleen de vorm is platter geworden.
Haal je je hand weg, dan houdt de boetseerklei haar platte vorm. Ze springt niet vanzelf terug tot een bolletje. Het is nog dezelfde zachte klei, dus je kunt er weer een bolletje van rollen.
Rond bolletje, duwende hand, dunner midden, bredere zijkanten, platte vorm. Als je boetseerklei platdrukt, verandert de vorm: de klei wordt dunner en breder, maar het blijft evenveel klei.
Met een volgend zacht duwtje kun je van hetzelfde stukje klei weer een mooie nieuwe vorm maken.









