Hoe worden kleine beekjes een rivier?
Heb jij weleens je vingers in een klein beekje gestopt? Het water voelt koud aan en stroomt snel. Je hoort het over de steentjes klateren, klater, klater.
Over een beekje kun je zo heen stappen. Een rivier is breed en diep, veel te groot om overheen te springen. Hoe worden kleine beekjes dan een rivier?
Hoog op een heuvel stroomt een klein beekje naar beneden, tussen de rotsen door. Het stroomt naar beneden omdat de aarde aan het water trekt. Precies zo trekt de aarde jou naar beneden op de glijbaan.
Op alle heuvels in het rond stromen ook andere beekjes naar beneden. Elk beekje stroomt over de grond, steeds lager en lager. De aarde trekt ze allemaal naar dezelfde lage plek.
Die lage plek heet een dal. Een dal is de lage grond tussen de heuvels. Het lijkt op de bodem van een grote kom. Van elke heuvel glijdt het water erin.
Beneden in het dal stroomt het ene beekje zo tegen het andere aan. Plons! Nu raken twee beekjes elkaar. Wat denk jij dat er met hun water gebeurt?
De twee beekjes stromen samen en worden één beek. Dat komt doordat de bodem van het dal één geul heeft die het laagst ligt. Het water van allebei stroomt daarin. Nu zit in die ene beek het water van twee beekjes.
Verderop in het dal stromen er steeds meer beekjes bij, het ene na het andere. Elk beekje brengt zijn eigen water mee. Met elk nieuw beekje wordt de beek breder en dieper.
Eindelijk stroomt er zoveel water samen dat niemand er nog overheen kan stappen. Dan geven mensen het een nieuwe naam. Ze noemen het een rivier!
De aarde trekt kleine beekjes naar een dal, waar ze samenstromen tot een rivier. Elk beekje dat erbij komt, maakt het water breder en dieper.
Klaterend stromen de beekjes van alle heuvels samen verder. Nu zijn ze één brede rivier, die rustig door het dal stroomt.









