Hoe kraken sommige vogels harde zaadjes open?
Heb jij weleens een zonnepitje tussen je vingers gehouden? De buitenkant voelt hard en glad, als een piepklein schelpje. Knijp je erin, dan buigt het bijna niet.
Toch maakt een klein vogeltje bij het voederhuisje zulke zaadjes de hele ochtend open. Het heeft geen handen en geen gereedschap om te helpen. Hoe kraken sommige vogels dan harde zaadjes open?
De harde buitenkant van een zaadje heet de dop. Dat is het stevige laagje om het zachte zaadje binnenin. De dop houdt het zachte deel veilig, net als een klein jasje. Om bij zijn eten te komen, moet een vogel eerst de dop breken.
Vogels die zaadjes eten, zoals vinken en papegaaien, hebben een korte, dikke snavel. Zo'n dikke snavel is sterk, net een kleine notenkraker. Hij kan veel harder knijpen dan een dunne snavel. En zo'n stevige kneep is precies wat een hard zaadje nodig heeft.
Binnen in zijn snavel heeft een vink een groefje. Dat is een smal sleufje dat precies past om een zaadje vast te houden. De vink stopt het zaadje in het groefje, zodat het niet kan wegglijden of wegrollen. Wat denk jij dat de vogel daarna doet?
De vogel bijt stevig door. Sterke spieren aan de zijkanten van zijn kop trekken de dikke snavel dicht. De dop houdt het niet meer, en krak, hij springt open. Dat gaat in een oogwenk.
Dan rolt de tong van de vogel het zaadje rond in het groefje. Met zijn tong duwt hij de kapotte stukjes dop uit zijn snavel. Die vallen naar beneden op de grond. Het zachte zaadje blijft over, klaar om op te eten.
Een vogel die zaadjes eet, stopt een zaadje in zijn groefje, en zijn dikke snavel kraakt de dop. Dan is het zachte zaadje binnenin klaar om op te eten.
Onder het voederhuisje ligt een hoopje stukjes dop op de grond. Boven op het stokje stopt de vink nog een zaadje in zijn groefje. Krak!









