Waarom kunnen we door glas kijken, maar niet door karton?
Heb je weleens je neus tegen een koel raam gedrukt en naar de tuin gekeken? Je kunt elk blaadje aan de boom zien. Maar zet een kartonnen doos over je hoofd en alles wordt donker.
Het raam en de doos zijn allebei stevige dingen die je kunt aanraken. Toch kun je door het raam de boom zien, terwijl de doos hem helemaal verbergt. Waarom kunnen we dus door glas kijken, maar niet door karton?
Om iets te zien, hebben je ogen licht nodig dat daarvandaan komt. Zonlicht valt op de boom en kaatst terug van de bladeren. Dat licht reist door de tuin naar je ogen, en zo zie je de boom.
Glas laat dat licht recht door zich heen gaan. Glas is transparant: het laat licht door, zodat je kunt zien wat erachter zit. Het licht van de boom gaat door het raam en bereikt je ogen.
Waarom kan licht zo makkelijk door glas heen? Vanbinnen is glas glad en overal hetzelfde, zonder iets waar het licht tegenaan botst. Daardoor gaat het licht in rechte lijnen verder en ziet de boom eruit zoals hij is. Wat denk je dat er in karton zit dat het licht in de weg zit?
Karton bestaat uit vezels. Vezels zijn piepkleine draadjes die uit hout komen. Miljoenen van die vezels liggen door elkaar en zijn samengeperst tot dikke lagen.
Als licht op karton valt, botst het tegen de ene vezel na de andere. De vezels nemen een deel van het licht op en kaatsen de rest alle kanten op terug. Daardoor komt het licht van de boom achter het karton niet aan de andere kant.
Daarom is karton niet transparant. Je ogen vangen alleen het licht op dat van de voorkant van de doos terugkaatst. Je ziet dus alleen het karton.
Transparant, vezels. Om iets te zien, moet het licht daarvan je ogen bereiken: in transparant glas zit niets waar het licht tegenaan botst, dus laat glas het recht door, terwijl de vezels die in karton door elkaar liggen het tegenhouden.
Droom maar fijn, en denk de volgende keer dat je door een raam kijkt aan het licht dat door het glas glipt om je ogen gedag te zeggen.









