Wie heeft aan deze dennenappel geknabbeld?
Heb jij weleens een dennenappel gevonden op een bospad? Stel je voor dat je er een in je hand houdt. Hij voelt ruw en hobbelig, en hij ziet er aangeknaagd uit.
Er is hier al iemand met honger geweest, nog vóór jou. Laten we het samen uitzoeken. Wie heeft aan deze dennenappel geknabbeld?
Een dennenappel zit vol schubben, dat zijn kleine houten plaatjes die over elkaar heen liggen, net als dakpannen. Als de dennenappel dicht is, drukken de schubben stevig tegen elkaar. Zo blijft alles wat erin zit veilig.
De den bewaart zijn zaadjes onder de schubben. Zaadjes zijn een lekker hapje dat goed vult. Daarom komen hongerige bosdieren op zoek naar dennenappels.
Drie dieren in het bos zijn dol op die zaadjes. Een eekhoorn en een muis bijten met hun scherpe voortanden. Een specht pikt met zijn sterke, puntige snavel.
Elk dier eet op zijn eigen manier, dus elk dier laat zijn eigen sporen achter. Die sporen zijn aanwijzingen. Laten we onze dennenappel aanwijzing voor aanwijzing bekijken.
Kijk eerst naar de schubben. Een specht klemt de dennenappel in een spleet in de boom en pikt erin, dus de meeste schubben blijven zitten. Onze dennenappel heeft geen schubben meer, er is alleen een dun, kaal stokje over. Wie kan het dan nog geweest zijn?
De eekhoorn of de muis! Allebei bijten ze de schubben eraf om bij de zaadjes te komen. We hebben nog één aanwijzing nodig om ze uit elkaar te houden.
De tweede aanwijzing is het kale stokje in het midden. Een muis knabbelt heel netjes, dus zijn stokje wordt glad en keurig. Een eekhoorn trekt en bijt haastig, dus zijn stokje wordt rafelig en ruw.
Ons stokje is rafelig en ruw. Dus de knabbelaar was een eekhoorn!
Een hongerige eekhoorn beet de schubben van onze dennenappel af om bij de zaadjes te komen. Door zijn haastige hapjes werd het stokje in het midden rafelig en ruw.
Ons rafelige stokje ligt stil op het bospad. Er liggen een paar afgeknaagde schubben omheen, als kruimels na een hapje.









