Waarom kun je op de maan zo hoog springen?
Ga eens rechtop staan en maak een klein sprongetje. Voel je de vloer onder je tenen? Bonk! Je voeten staan zo weer op de grond.
Astronauten hebben al op de maan gesprongen. Ze stuiterden hoog op, als grote, dikke konijnen. Ze zweefden ook langzaam weer naar beneden. Waarom kun je op de maan zo hoog springen?
Elke sprong begint bij je benen. Ze buigen en duwen dan hard tegen de grond. Die stevige duw van je benen tegen de grond heet de afzet. Met je afzet schiet je omhoog, de lucht in.
Daarna trekt de aarde je weer naar beneden. De aarde trekt alles naar zich toe, zoals ballen, appels en jou. Een bal die je opgooit, valt weer naar beneden, en jij ook. Door dat trekken kom je altijd weer neer.
De aarde is heel, heel groot. Een grote aarde trekt hard. Ze trekt je snel naar beneden, elke keer weer. Daardoor stop je al snel met omhooggaan en kom je alweer naar beneden.
Ook de maan trekt dingen naar zich toe. Maar de maan is veel kleiner dan de aarde. Hoe zou het trekken van zo'n kleine maan voelen, denk je?
Een kleine maan trekt zachtjes, als een klein, zacht trekje. De aarde trekt zes keer zo hard. Daarom voelt je lijf op de maan licht en veerkrachtig.
Met dezelfde afzet kom je nu veel hoger. Het zachte trekken van de maan remt je maar een klein beetje af. Je blijft daarboven hangen, een lang, rustig moment. Dan trekt de maan je zachtjes weer naar beneden.
De kleine maan trekt je zachtjes naar beneden, dus je afzet brengt je hoog de lucht in. De grote aarde trekt veel harder, dus hier kom je snel weer neer.
Omhoog, omhoog zweeft een kleine springer, hoog boven de stille maan. Langzaam zakt de springer weer naar beneden, licht als een veertje. Twee kleine voetjes raken de grond met een zacht tikje.









