Waar gaan gevallen bladeren naartoe?
Knisper, knisper, knisper! In de herfst kun je door grote hopen gevallen bladeren stampen. Ruik je hun zoete geur van aarde? Heel wat maanden later zijn diezelfde bladeren verdwenen.
Waar gaan gevallen bladeren dan naartoe? Laten we een klein blaadje volgen op de grond onder een boom. Dan ontdekken we het.
Regen valt op ons blaadje en maakt het helemaal nat. Het natte blaadje wordt zacht en slap. Kleine, hongerige beestjes kunnen makkelijk in zo'n zacht blaadje bijten.
Daarna groeit er piepkleine, donzige schimmel op het natte blaadje. De schimmel leeft en eet het blaadje beetje bij beetje op. Nu begint het blaadje te verrotten. Verrotten betekent dat het zacht wordt en uit elkaar valt.
Al gauw komen er kleine beestjes aankruipen. Zoals ronde oprolpissebedden en miljoenpoten met heel veel pootjes. Ze knabbelen aan het blaadje dat ligt te verrotten, want dat is hun eten. Met hun kleine hapjes maken ze de stukjes steeds kleiner.
Dan kronkelt er een regenworm uit zijn gang omhoog. Hij trekt de zachte, verrottende stukjes de grond in en eet ze op. Wat denk je dat de worm achterlaat?
Wormenpoep! Die komt eruit als piepkleine, donkere kruimeltjes. Die kruimeltjes mengen zich met de laatste stukjes blad in het bovenste laagje van de grond.
Al die donkere kruimeltjes worden aarde. Aarde is de zachte, bruine grond die planten voedt. Ons kleine blaadje is aarde geworden! Daar gaan gevallen bladeren dus naartoe.
Onthoud onze twee woorden: verrotten en aarde. Kleine levende wezentjes eten gevallen bladeren, waardoor die verrotten en aarde worden.
Als je weer door knisperende bladeren loopt, weet je precies waar ze naartoe gaan.









