Hoe laat het stuur een fiets een bocht maken?
Stel je voor dat je op een fiets in het park zit. Je helm zit lekker vast op je hoofd. Je handen houden de zachte rubberen handvatten van het stuur vast. Voel je ze, hobbelig en warm onder je vingers?
Je fiets rolt rustig over het gladde pad. Een stukje verder maakt het pad een bocht naar de schommels. Je beweegt het stuur, en de fiets gaat door de bocht. Hoe laat het stuur een fiets een bocht maken?
Om naar de schommels te gaan, duw je het ene handvat naar voren. Je andere hand trekt het andere handvat naar achteren. Samen draaien je twee handen het stuur. Het stuur zwaait in een kleine boog.
Onder het stuur zit een voorvork, dat is het metalen stuk dat het voorwiel vasthoudt. Hij heeft twee lange armen, aan elke kant van het wiel één. Het stuur en de voorvork zitten aan elkaar vast. Dus als jij het stuur draait, draait de voorvork mee.
De voorvork houdt het voorwiel in het midden vast. Draait de voorvork, dan draait het voorwiel ook. Het voorwiel draait precies even ver als het stuur. Nu wijst het voorwiel naar de schommels.
Een wiel rolt de kant op waar het naar wijst. Dus rolt het voorwiel naar de schommels. De voorkant van de fiets gaat ook die kant op. Wat denk jij dat het achterwiel nu doet?
De fiets houdt beide wielen bij elkaar, dus het achterwiel komt vlak erachteraan. Het rolt achter het voorwiel aan, net als een klein eendje achter zijn moeder. Al snel gaat de hele fiets door de bocht naar de schommels.
Je handen draaien het stuur, en de voorvork draait het voorwiel mee. Het voorwiel rolt waar het naar wijst, en de hele fiets volgt.
De fiets glijdt helemaal door de bocht. De schommels wiegen zachtjes naast je. Je wielen rollen langzaam, en dan sta je heel stil.









